Onderzoek

Nog geen halve eeuw geleden bevonden Nederlandse steden zich op het hoogtepunt van
een levensbedreigende crisis. Ook Amsterdam werd bijzonder hard geraakt: in de jaren
zeventig verlieten jaarlijks gemiddeld meer dan tienduizend inwoners de hoofdstad.
Cityvorming en suburbanisatie bedreigden de stedelijke woonfunctie en de

levensvatbaarheid van buurtvoorzieningen, terwijl criminaliteit en verloedering toesloegen.
Een jonge generatie stadsbewoners ging tegengas geven aan deze ontwikkelingen. Samen
met honkvaste buurtbewoners en kritische architecten wisten de nieuwkomers de politieke
en stedenbouwkundige koers van de stad te keren, en transformeerden zij Amsterdam tot
een fiets- en voetgangersvriendelijke plek om te wonen, te werken en te recreƫren. Vooral
ook voor mensen met een kleine beurs, waaronder een groeiend aantal studenten,
gastarbeiders en ouderen.
Met een toegankelijk boek voor een brede doelgroep, publieksbijeenkomsten en
onderwijsinterventies zal dit driejarige onderzoek het doen en denken van oud-wethouder
Ruimtelijke Ordening Michael van der Vlis voor het voetlicht brengen. Zijn visie op de
compacte stad zal worden geanalyseerd in de politieke en stedenbouwkundige context van
de jaren zeventig tot en met de jaren negentig, waarbij Van der Vlis wordt beschouwd als de
verpersoonlijking van een snel veranderend Amsterdam.
De actualiteit wordt in dit historisch onderzoek niet geschuwd. De paradox van vandaag is
dat de compacte en inclusieve stad urgenter is dan ooit, maar dat het ideaal steeds vaker
buiten ons bereik lijkt te liggen. Door de complexiteit van de historische en hedendaagse
opgaven te vergelijken, kan zowel het historische als actuele ideaal van de compacte stad
scherper gedefinieerd worden. Wat waren en zijn de prioriteiten, en hoe werden en worden
die door bestuurders, bewoners en ontwerpers uitgedragen en gepraktiseerd?