Zevende Van der Vlislezing door Zita Pels
Dinsdag 15 september 2026 hield wethouder Zita Pels in het Stadsarchief de zevende Van der Vlislezing, waarin zij haar visie op de toekomst van de Amsterdamse volkshuisvesting verbond aan de erfenis van oud-wethouder Michael van der Vlis. De tekst van haar lezing kunt u hier integraal teruglezen.
Ik ben opgegroeid in de stad van Michael van der Vlis, Want ik woonde als kind in de Oranje Nassaukazerne, een plek die ooit werd gebouwd voor soldaten, maar die eind jaren tachtig werd gered van de sloop en verbouwd tot 150 sociale huurwoningen. En zo kwamen er 150 sociale huurwoningen in een monument midden in de stad. Van der Vlis was de wethouder die daartoe besloot.
Dat is misschien wel de meest concrete manier waarop ik de erfenis van Michael van der Vlis heb ervaren. Als kind, door een huis te hebben. Een plek waar ik thuis was. Het gaf mijn moeder de kans om van een te kleine woning waar ik als kind sliep in een hele kleine kamer die met een uitklap bureau ook dienstdeed als haar werkkamer, naar een woning te gaan waar we allebei een eigen slaapkamer hadden. En dus een nieuw perspectief.
De stad van Michael van der Vlis was een stad waarin kinderen zoals ik, met een alleenstaande moeder, in het centrum een passend huis kon vinden. Met een groot plein om op te spelen, een parkje. Het was een stad waarin werd geïnvesteerd in genoeg betaalbare woningen en in de compacte, complete stad.
De kinderen van Chantal groeien niet meer op in de stad van Michael van der Vlis. Zij groeien op in een stad die getekend is door het beleid van Stef Blok.
Een stad en een land waarin de volkshuisvesting in de uitverkoop is gedaan en is ingeruild voor een woningmarkt. Het vercommercialiseren van woningen heeft het nu zo gemaakt dat het belangrijker is geworden om geld te verdienen aan een huis dan om een kind een dak boven het hoofd te geven. Een stad waarin we zouden moeten accepteren dat een kind slaapt op een vies matras in een kelderbox omdat alle huizen te vol, te duur of onbereikbaar zijn. Maar dat mogen we niet accepteren.
Sterker nog: ik schaam me dood voor de staat van de volkshuisvesting.
En dat terwijl we kunnen leunen op een fantastische geschiedenis in de volkshuisvesting. We kennen Wibaut, Sarphati, van der Pek, Schaefer en van der Vlis. Maar kennen jullie ook Louise Went? Ik groeide op aan de Louise Wentstraat.
Onbewust tot ik de film over de Van der Pek buurt keek (allemaal kijken!) wie deze grootheid was. Zij zorgde als woningopzichter dat vele gezinnen goed landde in de woningen die ze toegewezen kregen na de Woningwet. Zij dacht mee en tekende mee met haar man Van der Pek om te zorgen dat de woningen die er zouden komen goed zouden werken voor de emancipatie van de vrouwen die daar zouden komen wonen. Voor mij het voorbeeld van hoe we naar volkshuisvesting moeten kijken: niet in een crisis modus bouwen, bouwen, bouwen, en tot over je nek toe in de schulden zitten om maar een dak boven je hoofd te hebben, maar een huis als middel om verder te komen in het leven.
En daarom wil ik het over een nieuw tijdperk voor volkshuisvesting hebben. We praten vaak over woningen in termen van vierkante meters, stenen, percentages en aantallen. Maar een woning is veel meer dan dat. Een woning is de basis; de plek waar je rust kunt vinden, waar je kinderen veilig opgroeien, waar je je leven kunt opbouwen. En daarom is volkshuisvesting iets fundamenteel anders dan de woningmarkt.
Een woningmarkt spreekt over huizen in termen van hoeveel ze waard zijn. Volkshuisvesting denkt na over wat huizen waard zijn voor mensen. Niet de woning als bezit, als financieel object, maar als thuisbasis. Louise Went begreep dat, Michael van der Vlis begreep dat. Zijn generatie bouwde niet alleen woningen. Zij bouwde aan een stad waarin ook mensen met een kleine beurs een thuis konden vinden.
En als dat ons ideaal is, moeten we eerlijk zijn over hoe ver we daar van zijn afgedwaald. De wooncrisis woekert inmiddels al vele jaren. En dit leidt tot steeds meer maatschappelijke problemen zoals kinderen die niet rustig kunnen leren omdat ze met drie broertjes en zusjes op de kamer zitten. Stellen die een kinderwens uitstellen. En de meest schrijnende van allemaal: Dakloosheid.
Dakloosheid, niet van een ggzpatient, niet van een verslaafde, maar van een alleenstaande moeder met weinig tot geen inkomen. Een moeder zoals de mijne eigenlijk.
Een sterke vrouw, vol drang om wat van haar leven en dat van haar kinderen te maken maar met net een tikkie meer pech dan een ander. Dakloosheid van kinderen. Dakloosheid begint niet meer op straat, maar op de woningmarkt.
We hebben dakloosheid te lang behandeld als een individueel probleem. Alsof iemand dakloos wordt omdat er iets mis is met die persoon. Het traditionele beeld van dakloosheid is nog altijd dat iemand problemen krijgt, bijvoorbeeld door een verslaving, diens baan verliest, aan lagerwal raakt en uiteindelijk op straat belandt. En ja, die mensen zijn er nog steeds en in steeds grotere getale. Daarom vraagt onze burgemeester daar gelukkig aandacht voor en zetten we daar extra tijd en geld op in. Maar dat ontslaat ons niet van de plicht om verder te kijken. Verder te kijken naar de dakloosheid die we niet zien.
Want wat als het probleem niet begint bij die persoon? Wat als het begint bij het ontbreken van een betaalbare woning? Wat als kabinet op kabinet ervoor heeft gekozen om de volkshuisvesting in de uitverkoop te gooien en aan de markt te geven in plaats van te doen wat in de grondwet staat? Want net als mijn moeder is ook de moeders die onzichtbaar zijn, maar wel dakloos, vaak heel goed in staat om voor zichzelf te zorgen. Zij heeft geen behoefte aan behandeling. Zij heeft behoefte aan een woning.
In de grondwet staat dat de overheid een zorgplicht heeft om voor voldoende woningen te zorgen. Dus als wonen een basisrecht is, waarom moet iemand dan eerst zover afglijden dat ze in de opvang komen voordat ze verder worden geholpen? Waarom zijn we wel bereid de maatschappelijke kosten daarvoor te dragen maar niet om meer betaalbare woningen te bouwen?
Als stad is dit precies wat we willen: wonen eerst. Decennia van landelijk neoliberaal afbraakbeleid hebben van onze volkshuisvesting een woningmarkt gemaakt. En als stad moeten we aan alle kanten pleisters plakken om het proberen op te lossen. Maar voor een echte terugkeer naar volkshuisvesting, voor een terugkeer naar de stad van Michael van der Vlis is de tijd van pleisters plakken voorbij. We moeten radicale keuzes maken. En dat begint wat mij betreft bij een nieuw tijdperk. Waarin we niet bouwen voor euro’s maar voor mensen.
In een eerder essay over de oplossingen voor de wooncrisis schreef ik al: we moeten stoppen met de vraag hoeveel woningen we bouwen en beginnen met de vraag voor wie we bouwen. Natuurlijk moet Amsterdam bouwen. Maar de afgelopen jaren werd dit teveel een doel op zichzelf. Een woning die niet past bij de vraag van de stad, lost helemaal niets op. Aan duizend woningen met een huur van 2000 euro hebben de mensen op onze wachtlijsten precies niets. Een woning bouwen en tegelijkertijd andere betaalbare woningen laten verdwijnen, lost helemaal niets op. Want we bouwen niet voor een productie of mooi te presenteren cijfer: we bouwen voor mensen. Voor kinderen zoals ik was.
Die terugkeer naar de volkshuisvesting gaat niet vanzelf, het gaat niet zonder slag of stoot en het gaat niet met mij alleen. Daarom zijn we gestart met drie offensieven. Dat klinkt als een slagveld, alsof we oorlog voeren. Dat is niet zo, maar een gevecht is het wel. En strijdlustig ben ik ook.
Het doorstroomoffensief moet ervoor zorgen dat de woningen die al in onze stad staan, terecht komen bij degene voor wie die woning het meest passend is. Want de meest duurzame en de snelste woning is toch nog altijd de woning die er al staat.
Met het doorstroomoffensief zetten we in op woningen voor ouderen die wel willen doorstromen, maar nu geen kant op kunnen. Dus moeten we die bouwen in wijken waar nu veel ouderen in te grote en vaak te hoge woningen wonen. In die wijken is behoefte aan kleinere, gelijkvloerse woningen zonder drempels. Liefst op de begane grond of met lift. Zodat ouderen daar kunnen blijven wonen als traplopen minder gaat. Want ze willen vaak heus wel, een huis op driehoog met drie slaapkamers is voor veel ouderen echt niet meer de ideale plek. Maar het alternatief moet er dan wel zijn. Maar ook voor gezinnen hebben we woningen nodig en voor mensen die uit de opvang willen doorstromen naar een woning om hun leven te kunnen opbouwen.
Met het isolatieoffensief heb ik laten zien wat het betekent als je verder gaat dan een woning zien als beleggingsobject. Als wonen allereerst een basisbehoefte is, dan hoort die comfortabel en duurzaam te zijn. Daarom zijn we de afgelopen periode langs 50.000 huizen gegaan om met snelle kleine maatregelen het wonen comfortabeler én goedkoper te maken.
Maar ook zijn we daarom de schimmelaanpak gestart waarin mensen sneller worden geholpen bij schimmel in huis en gezinnen nu sneller kunnen verhuizen als blijkt dat de schimmel niet weggaat.
En ook in het offensief tegen de woning als verdienmodel hebben we niet stilgezeten. Wie de verkiezingen voor de gemeenteraad heeft gevolgd, weet dat ik mij gepassioneerd hard heb gemaakt voor de strijd tegen huisjesmelkers. We gaan 20.000 woningen langs om de huur te controleren. Uit de eerste onderzoeken blijkt al dat er veel te veel betaald wordt. Een van de snelste manieren om meer betaalbare woningen in de stad te krijgen is om ervoor te zorgen dat de bestaande woningen niet duurder zijn dan ze mogen zijn. En deze belofte doe ik meteen: als we zien dat er inderdaad veel te veel betaald wordt zoals we hebben gezien in de onderzoeken, dan pakken we na die 20.000 gelijk door. Het zal misschien niet allemaal deze periode lukken maar ik vind dat het stadsbestuur elke vrij verhuurde voordeur langs moet om op te komen voor de rechten van onze Amsterdammers.
Dus laat dit ook een duidelijke boodschap zijn voor alle verhuurders: als je te veel huur vraagt, dan ben je de komende jaren de sjaak. Reken in je “business case” alvast maar een goed aantal boetes in. Voor tips en adviezen hoe daar mee om te gaan kan je denk ik wel terecht bij Marcel Melis. Al heeft hij nu al zijn panden in Amsterdam verkocht.
We hebben ook het recht op een tweede woning ingeperkt, want ik vind het niet uit te leggen dat er mensen in onze stad een tweede (of derde of vierde) woning hebben terwijl er moeders met kinderen in garageboxen slapen. Met de opkoopbescherming hebben we ervoor gezorgd dat huizen niet langer kunnen worden opgekocht als beleggingsobject om vervolgens voor winst te worden doorverkocht. En met de strengste leegstandsverordening van Nederland pakken we leegstand keihard aan. En we gaan verder: er komt een leegstandbelasting aan. Want in plaats van met leegstand je eigen zakken vullen, zullen wij zorgen dat de zakken van de gemeente gevuld worden zodat we genoeg geld hebben voor het handhaven én het bouwen van betaalbare woningen.
Ik vind dat we nog veel verder moeten gaan. Een nieuw tijdperk van de volkshuisvesting vraagt echt anders durven denken. Want als je binnen de grenzen van de woningmarkt blijft denken dan kom je altijd uit bij ‘het moet wel rendabel zijn’. Rendabel voor wie? Voor de mensen die winst maken aan wonen.
Een nieuw Tijdperk van volkshuisvesting vraagt erom dat idee los te laten. Dat kan, want het idee dat wonen een markt moet zijn is ook maar bedacht.
Een nieuw tijdperk van volkshuisvesting betekent dat we als overheid weer de regie pakken op, jawel, het huisvesten van het volk. En dat betekent wat mij betreft: huurregulering voor de hele sector, de duurste subsidie voor de rijksten in Nederland afschaffen, dus geen hypotheekrenteaftrek meer, de woningcorporaties subsidiëren zodat zij geen woningen meer hoeven te verkopen en eeuwigdurende middenhuur kunnen bouwen.
Wooncoöperaties zouden naast de woningbouwcorporaties het antwoord moeten worden op de vraag hoe we betaalbare woningen bouwen. Want dan blijft het geld wat in de stenen eindigt van ons allemaal. In Amsterdam hebben we een concreet doel opgenomen op coöperaties te laten groeien, ik hoop dat men landelijk ook doorkrijgt wat voor een kracht en voordelen er zitten aan mensen het zelf laten doen. De mensen voor wie we het doen boven de markt stellen.
En laten we eerlijk zijn: er moet gewoon geld bij. Zoals het Rijk altijd heeft gedaan, bijvoorbeeld in de tijd van Michael van der Vlis. We weten dus ook dat het kan: het is niet een onhaalbaar ideaal of een droombeeld. Kijk naar wat hij heeft ontwikkeld, dat kunnen wij ook.
Lang niet alles ligt in onze macht als stadsbestuur om te veranderen. En ja, dat zorgt ervoor dat u hier een wethouder ziet die niet alleen bestuurt, maar zich ook activistisch opstelt om het systeem te veranderen. Er wordt soms gedaan alsof activisme en besturen elkaars tegenpolen zijn. Alsof je moet kiezen: actievoeren of verantwoordelijkheid nemen. Ik geloof daar niet in. Sterker nog: de geschiedenis van Amsterdam laat zien dat juist uit activisme soms het beste bestuur voortkomt.
Michael van der Vlis was wat mij betreft een goed voorbeeld van hoe je dat met elkaar kunt combineren. In het boek staat hij dan ook beschreven als buurtactivist, raadslid én wethouder.
Die rollen kún je niet alleen combineren, in mijn ogen is dat noodzakelijk. Een dakloze moeder die van opvang naar opvang gaat, kan zich niet permitteren om activist te zijn. Een kind dat geen vaste slaapkamer heeft, kan geen campagne voeren voor beter woonbeleid. Iemand die iedere dag bezig is met de vraag waar hij vannacht slaapt, heeft geen tijd om het systeem te veranderen.
Dus als bestuurders zeggen dat we naar mensen moeten luisteren, betekent dat niet dat we vervolgens moeten wachten tot zij zelf het probleem oplossen. Soms betekent luisteren dat je namens hen in beweging komt. En af en toe een knuppel in het hoenderhok gooit want systemen veranderen zichzelf niet.
De combinatie activisme en besturen betekent voor mij ook: ideeën durven neerleggen vóórdat ze helemaal ambtelijk zijn doorgerekend, afgetikt en vastgelegd. Dus, voor wie er van mijn ambtenaren hier zit: sorry vast, maar daar gaat ie.
Kinderen in kelderboxen kunnen niet wachten op die systeemverandering die zo hard nodig is. Zij slapen nu in een raamloze ruimte van nog geen 6 vierkante meter. En de oplossing van de noodopvang is eigenlijk ook maar een paar maanden houdbaar. En die paar maanden zijn eigenlijk al een paar maanden te lang want ook in de noodopvang kun je alleen maar overleven, en niet écht leven. Je begint geen leven in een opvanglocatie.
Voor deze kinderen en hun moeders zou ik heel graag ook een korte klap willen maken.
Daarom wil ik van een nadeel een voordeeltje proberen te maken. We gaan helaas, door netcongestie vertragende bouwprojecten krijgen. Dat betekent dat er kavels leeg blijven liggen. Ik wil daarom een deal sluiten met minister Boekholt: ik zorg voor een plek, zij zorgt voor flexwoningen. Het ministerie kan geheid een betere deal krijgen dan wij. En dan zetten we alles op alles om die woningen binnen een jaar voor elkaar te krijgen.
Dat duur nog steeds te lang he. Dat weet ik. Maar de bestuurder in mij zegt dan tegen de activist in mij: soms moet het betere niet de vijand van het goede worden. Een stap de goede kant op is het begin. Een begin van een plek voor mensen die nu niet kunnen leven omdat ze moeten overleven. Ik wil een plek voor 50 moeders met kinderen, binnen een jaar, in onze stad.
Als we hen hoop geven en een thuis, zullen we allemaal hoop hebben dat het echt anders kan. Als we mensen die onzichtbaar leiden onder de wooncrisis kunnen helpen, bouwen we aan de stad die we willen zijn. Ik heb de minister voor de zomer gevraagd of ze dit ziet zitten en ik vraag haar vandaag: wanneer zetten we de handtekening?
Het goede nieuws is dat vandaag in de miljoenennota extra geld is vrijgemaakt voor flexwoningen voor groepen zoals deze moeders. Het is helaas wel het enige goede nieuws. Want op de aanpak dakloosheid doet het kabinet verder eigenlijk niks. Weer niet.
Laten we het de komende tijd zo praktisch maken. Want dat is misschien wel de belangrijkste les die Michael van der Vlis ons heeft nagelaten. Volkshuisvesting moet je doen. Dat is een stad bouwen door niet alleen stenen te stapelen. Je maakt een stad door mensen een plek te geven. Een plek om een leven te maken en daarmee de stad te maken. Door tegen de vanzelfsprekendheid in te gaan. Door te strijden voor een stad die niet alleen voor de mensen met de grootste portemonnee is.
Dus lieve mensen, lieve medestrijders voor een alternatief, lieve volkshuisvestingnerds, ga zo naar buiten en zie de stad door nieuwe ogen. Zie de stad die van ons allemaal is, die we terug claimen op de markt. En loop misschien even langs de Oranje Nassaukazerne. Het was ooit een kazerne. Toen werd het een plek om te wonen. Voor mij werd het een thuis. Dat is wat volkshuisvesting uiteindelijk betekent. Het is tijd voor een nieuw tijdperk van volkshuisvesting. Niet omdat we terug willen naar het verleden, maar omdat we opnieuw durven kiezen voor de toekomst.

Dit vind je misschien ook leuk
Derde Van der Vlislezing door wethouder Rutger Groot Wassink
20 augustus 2022
Vijfde Van der Vlislezing door wethouder Sofyan Mbarki
4 september 2024